Sticke (onder constructie)

Sticke verschijnt tamelijk plotsklaps in de Leenboeken van Overijssel. Over dit geslacht is maar weinig bekend, maar er zijn wellicht verbindingen naar het geslacht Stecke. De naam Sticke begint in mijn kwartieren met Jutte Sticke als echtgenote van Johan van Twickel. Dit huwelijk werd gesloten in 1506, en duurde maar kort, omdat Jutte Sticke al in 1515 was overleden, hoewel dat in tegenspraak lijkt met gegevens zoals die voorkomen in een belening in Kedingen:

Richterambt KEDINGEN / kerspel Wierden
1549 mei 14 (dl. B, fol. 49).
Juffer Jutthe van Twickello, onder hulderschap van haar man en voogd Unyko Ripperda tot Dickhusen, na de dood van haar (schoon)zuster juffer Jutte Sticke, vrouw van Johan van Twickello. Get.: Goesen van Raisfelt, drost van Twenthe, en Nicolaus Verheiden, beiden keizerlijke leenmannen.

Er is hier vermoedelijk sprake van een verschrijving.

De kwartieren van Unico Ripperda zijn:
Van Rhemen, Boeck van quartieren, fol. 284v: Te Zwol in St. Michielskerck in glasen bij de deur na 't raethuis. Anno 1566 den 10 junii, 's maendags vor Sacramentsdag omtrent 7 uit 's morgens sterf die edelveste Unico Ripperda, drost 's lants van Sallant; op avent Sacramenti wort he begraven te [Wesepe].
 

Ripperda          
Buckhorst        
Brokum            
Keppel             
Twickelo
Sticke
Rutenberg
Middachten

Zijn vrouw was dus een van Twickel, met een Sticke-moeder. We zien dat nog eens gedemonstreerd in de kwartieren van Elisabeth Ripperda, dochter van Unico Ripperda en Judith van Twickel:

Ripperda
Twickelo
Boekhorst
Sticke

Dat staat voor Unico Ripperda X Jutte van Twickel
Eggerik Ripperda X Aleyd van Buchorst 
Johan van Twickel X Jutte Sticke

Jutte Sticke is dus niet de schoonzuster van Jutte van Twickel. Hoe deze fout kan zijn ontstaan, is mij volstrekt onduidelijk. Voor alle duidelijkheid: Jutte Sticke was de moeder van Jutte van Twickel.

In het Rekenkundig Register van Overijssel door Doornick is te zien, dat Jutte in 1515 al was gestorven, en ook blijkt het uit een belening van het goed Weldam:

1515 jul 28 (BE fol 115v)
Jonge Johan van Twyckeloe, onmondig, na de dood van zijn moeder Jutte, dochter van Johan Stycke. Hulder zijn vader Johan van Twyckeloe.

Sweder Schele schreef in zijn Huiskroniek:

Johan von Twickell der eltester son hatt das Hausz Twickell ererbet; wardt nach absterben Gerrits von Welvelde, so drost von Twent vor im, drost des lands Twente. Sein hausfrau war Judit Sticke, Johan Sticken und Elseben von Middachten tochter, mit welcher er das Hausz Weldam befreiet und an die Von Twickell gebracht. Er war drost von Twent zu zeiten der Geldrischen fede ') und als brauchlich das bei kriegszeiten der drost sich musz finden lassen zu Oldenzell, so war er auch daselbst, als es die Geidrischen erobert.

Der drost Jan von Twickelo hatt noch lange nach seinen sonen gelebt; er war ein kluger man, ein guter haushalter und sparsam. Als er einsmhalls bei seiner tochter man Unico Ripperda und derselber in ansprach ein trunck wein zu thun, er durffte in mit bier nit nötigen, da habe er gesagt: "Nein son, wilt ihr in Twente wonen, so must ihr bier mogen, da wechst kein wein. Tanta fuit majorum nostrorum frugalitas." Judit Ripperda, die elteste tochter von Unico Ripperda den drosten von Salland, hatt er von kind auff bei sich gehab und nach seinem todt nam sie sein swester Margreta bei sich als gesagt.

Het is goed om hier enige aandacht te geven, dat Schele schrijft, dat de drost van Twente, Johan van Twickel, die opvolger was van Gerrit van Welvelde, nog lange tijd geleefd heeft na het sterven van zijn zoon (het is lastig om uit te maken of hij hier een meervoudsvorm gebruikt; mijns inziens is hier een enkelvoud gebruikt).

Uit de beleningsreeks van Weldam kunnen we zien, dat Jutte Sticke beleend werd met Weldam in 1490. Haar grootvader Herman van Middachten was haar hulder:

1490 ... [apr 5 - mei 7 ?] (BD fol 171v)
Jutte, dochter van Johan Sticke, na de dood van haar vader. Hulder haar grootvader Hermen van Middachten.
** In deze aantekening zijn plaats van belening, getuigen en jaar van belening wel vermeld, maar de maand en dag daarvan niet. Wel is daarvoor ruimte gelaten. De voorgaande en opvolgende beleningen zijn van 6 april en 17 mei 1490.

Blijkens een aantekening achterin BD had Herman van Middachten op 22 maart 1489 namens Jutte aan de bisschop ter voldoening van het heergewaad een paard geleverd en de verdere bijkomende kosten voldaan "uutgesondert ofte sy brieve dairaf hebben wolden, dair en is nyet af betaelt", waarop de bisschop toegestaan had, dat Johan van Bevervoerde, ambtman tot Diephem, Jutte zou belenen en namens haar hulde ontvangen.

1497 jul 23 (BE fol 36)
Jutte, dochter van Johan Sticke. Hulder Lambert van Oer.

1515 jul 28 (BE fol 115v)
Jonge Johan van Twyckeloe, onmondig, na de dood van zijn moeder Jutte, dochter van Johan Stycke. Hulder zijn vader Johan van Twyckeloe.

1518 jul 21 (BF fol 37v)
Jonge Johan van Twickelloe, onmondig. Hulder zijn vader Johan van Twickelloe.

1531 dec 2 (OA fol 38)
Jonge Johan vann Twickelloe.

1537 dec 30 (OA fol 108v)
Jutte vann Twickell na de dood van haar broer Johan van Twickell de Jonge. Hulder haar man Uniko Ripperda.

In 1515 en 1518 zien we dus dat de drost Johan van Twickel hulder is voor zijn onmondige zoon Johan van Twickel de jonge, en dat deze voor december 1537 is overleden. In 1531 is jonge Johan van Twickel oud genoeg om zelfstandig het leen te beheren. Dat is in overeenstemming met het gegeven, dat zijn vader, de drost Johan van Twickel, pas in 1506 trouwde. Maar de opmerking van Schele dat hij zijn zoon 'lang' overleefde, is wat overdreven, want hij overleed juni 1539. Hij overleefde zijn zoon dus enkele jaren. Vanaf 1537 wordt Jutte van Twickel, gehuwd met Unico Ripperda omstreeks 1531, beleend met het goed Weldam.

Tevens kunnen we hieruit opmaken dat haar vader, Johan Sticke, al voor 22 maart 1489 overleden was, dus vermoedelijk stierf hij in 1488. Haar hulder in 1497 was Lambert van Oer. Die was getrouwd met Jutte van Middachten, dochter van Herman van Middachten en Walburg van Diepenbroeck (tot Herveld). Lambert van Oer was dus haar oom, want Elsabe van Middachten was een zuster van Jutte van Middachten. Jutte's grootvader Herman van Middachten leefde nog in 1490, maar in april 1496 wordt zijn vrouw Walburga weduwe genoemd. Walburga van Diepenbroeck is voor 11 aug. 1498 gestorven. Elsabe van Middachten leefde nog in 1512:

In 1512 verklaart Antonius van den Rutenberche, richter van Delden, dat Everhardt Vrijlinck getuige is van een overeenkomst tot leveren van rente van "Jonfer Elzeben van Middachten, weduwen zeligen Johan Stecken behoeff des capelaens in der hilligen kercken ‘t Goer", alwaar zijn oom Johannes vicaris was (Bron: Harry Vrielinck's website).

                                                                                                      Herman van Middachten X Walburga Diepenbroeck
                                                                                                                    |
Johan van Twickel                          Johan Sticke (+1488) X Elsabe Middachten (+ na 1512)
X Adriana Rutenberg                                      |                                                    |
            |                                                             |                                                    |
Johan van Twickel (+1539) X (1506)  Jutte Sticke (+1514-1515)    Eleonora x Otto van Rutenberg (kinderloos)
                                                   |
                                        Jutte van Twickel

In de Ridderschap van Overijssel schrijft AJ Mensema:

Johan Sticke de jonge

Zoon van Johan Sticke [tot Weldam] en Jutte van Pesie, beleend met Weldam 1468, verschreven als riddematige ter klaring Deventer 20 okt. 1460 en vervolgens 1484 en 1486, ambtman van Blankenborg 1484 en 1486, overl. 1488
huwt:
1. Lutgerd van Essen, weduwe van Wolter Stelling, ambtman van IJsselmuiden, dochter van Hendrik van Essen [tot Herxen] en NN van Brienen.
2. Elsabe van Middachten, dochter van Herman van Middachten en Walburga van Diepenbroeck
Hieruit:
1. Jutte X Johan van Twickelo
2. Eleonora X Otto vd Rutenberg

Ik geef direct ook de gegevens uit de Ridderschap van Overijssel over Johan's vader:

Johan Sticke de oude

Zoon van Pelgrim Sticke en Hillegonde van Kuinre (dochter van Johan Kuinre en Geertruid van Bevervoorde), burger te Deventer, verschreven als riddermatige ter klaring Deventer 20 okt. 1460, beleend met Weldam 1415, overl. voor 20 april 1468
Huwt Jutte van Pesie, dochter van Roelof van Pesie en N van Doornick
Hieruit:
1. Johan Sticke, de jonge
2. Hillegonda, kloosterlinge
3. Margaretha X Hendrik (Heyne) van Laer, zoon van Johan van Laer tot Laerwold en Margriet ten Water, overl. na 1510; hij hertrouwt zijn meid Truy van Deventer
4. Frederik, burger te Deventer, vermeld 1466-1486, huwt voor 1475 Mechteld Freyse, dochter van Evert Freyse en Agnes Peyll.

Voor de naam 'van Pesie' kunnen we beter lezen 'van Peise', want zo staat deze familie bekend.

In de beleningsreeks van Weldam zien we nog:
* Den Weldam mit synen toebehoer, gelegen in den kerspel van Goer, mitten goede toe des Hinders Huys.

1433 okt 30 (BC fol 30v)
Johan Stick.

1457 okt 20 (BD fol 35v)
Johan Sticke.

1468 jun 21 (BD fol 80v)
Johan Sticke na de dood van zijn vader Johan Sticke.

1490 ... [apr 5 - mei 7 ?] (BD fol 171v)
Jutte, dochter van Johan Sticke, na de dood van haar vader. Hulder haar grootvader Hermen van Middachten.

We zien hier dus bevestigd, dat Johan Sticke, vader van Jutte Sticke, een zoon was van de rond 1468 overleden Johan Sticke:

Johan Sticke (+ ca. 1468)
        |
Johan Sticke (+ ca 1488) X Elsabe van Middachten (+ na. 1512)
        |....................................|
Jutte Sticke                          Eleanora Sticke
X (1506)                                X
Johan van                            Otto van den
Twickel, Drost v Twente    Rutenberg

In zijn artikelen over het geslacht van Essen door O. Schutte zijn een aantal gegevens te vinden (NL 1967 pag. 62,63) over processen tussen Johan Sticke en broers van Lutgard van Essen. Lutgard van Essen trouwde vermoedelijk rond 1455 met Johan Sticke, na het overlijden rond 1452 van Lutgard's 1ste echtgenoot Wolter Stelling. In 1460 zien we ook gezamelijk Johan Sticke de oude en de jonge optreden op een rechtdag in Deventer. Lutgard en Wolter Stelling trouwden vermoedelijk in 1444; in 1452 wordt Lutgard al weduwe genoemd van Wolter Stelling Hermanszoon. Dit huwelijk zou een dochter hebben voortgebracht. Uit het huwelijk van Johan Sticke met Lutgard van Essen zijn mij geen nakomelingen bekend.

Vanaf 1485 zijn er enkele processen tussen Johan Sticke de jonge en naaste familieleden van Lutgard van Essen, en in 1487 worden tussen hen en Elsabe van Middachten afspraken gemaakt inzake het testament van Lutgard van Essen. Opvallend genoeg is Johan Sticke de jonge in deze procedure van 19 aug. 1487 niet aanwezig; hij was toen nog in leven, want op 11 augustus van dat jaar wordt hij nog genoemd, en op 21 aug. 1487 komt hij als stichts leenman nog voor. Hij zal dus begin 1488 zijn overleden. Zijn eerste vermelding ligt ergens rond 1460, als hij samen met zijn vader als riddermatige genoemd wordt.

Johan Sticke, de grootvader van Jutte Sticke, wordt in 1460 genoemd als riddermatige van Overijssel, en hij overleed rond 1458. Het is op grond van de gegevens niet ondubbelzinnig zeker, dat hij identiek is aan Johan Sticke Pelgrimszoon, over wie onderstaande acte aantoont, dat hij in 1443 nog in leven was:

Waarom de twijfel?

1409
De broers Arend, Berend, Johan en Pelgrim Sticke verklaren dat zij het goed in de Hoernst tot een regt testament van de zielen van wijlen hun vader Pelgrim en van hun zelven geschonken hebben aan de Kelnary en het Convent ter Hunnepe en beloven regte waarschap daarvan te doen. (het zegel van Arend wijkt af van de andere drie zegels) (Bron: Tijrekenkundig register Overijssel, Doorninck)

Uit het gegeven, dat alle broers zelfstandig zegelen, mogen we concluderen, dat zij minstens 18 jaar oud zijn, en dus vermoedelijk alle vier voor 1390 zijn geboren.

We hebben hier dus:

Pelgrim Sticke (+ ca. 1406) X ( voor 1387) Hillegonde van Kuinre (+ 1425-1430)
    |.............................|.............................|...........................|.........................|.................|
Arend                         Berend                            Johan                      Pelgrim            Margaretha        Johanna
(+ ca. 1433)             (+ ca 1442)                  (+ na 1443)                                       X Frederik          X Goert     
X Soete van               X Beerte                                                                                    van Twickel         Thije
Apeldoorn
    |
Gelmer Sticke


Het is met name deze leenreeks die twijfel veroorzaakt. Uit de laatste beleningen valt op te maken, dat het in 1468 gaat om Johan Sticke, vader van Jutte Sticke, maar wat is de relatie tussen Johan en Gelmer Sticke in 1433? Gaat dit over Johan Sticke Pelgrimszoon? Of gaat het over Johan Sticke Berendszoon? Of misschien om Johan Sticke zoon van Johan Sticke Pelgrimszoon? En wie is precies de hier genoemde Arnd Sticke, omstreeks 1382?

Deze vragen zijn allemaal belangrijk, omdat er wellicht meerdere personen zijn met de naam Arnd Sticke. Tot nog meer verwarring leidt de volgende beleningsreeks:

Opvallend bij bovenstaande beleningen zijn de jaren 1433 en 1457. Precies diezelfde jaren komen voor in de beleningsreeks van Weldam, en Hermanning bij Geesteren. Die data zijn vast geen toeval, maar de samenhang is niet zonneklaar. In 1433 overlijdt Arndt Sticke en zijn zoon Gelmer wordt beleend met Hermanning en andere goederen. Uit de beleningen De Maet (hieronder) is te zien, dat het daarbij gaat om het overlijden van Arnd Sticke Pelgrimszoon. Maar er is dus ook een Arnd Sticke Hermanszoon, die in 1458 overlijdt. Dan is er nog een Arnd Sticke, die tussen 1433 en 1435 overlijdt. Deze heeft een zoon Goessen, en nog een zoon Gerrit. Deze Arnd Sticke was gehuwd met Aleyd NN.


En wat te denken van deze beleningen:

Heerlijkheid BORCULO / buurschap Geesteren

Dat goet to Arnync, gheleghen in der heerscap van Borclo in den kerspel van Gheesteren to enen pondeschen goede to Diepenhem.

Z.d. [1379-1382] (BA1 fol 66v)
Geryt van Lechtenhorst.

Z.d. [1394 sep 10 - 1401 feb 6)
Aernt Sticke van Lichtenhorst.
** Blijkens de van omstreeks 1417 daterende naamtafel van beleende personen voorin het protocol BB was op het verloren fol 20b een belening van "Aernt Sticke" van Lichtenhorst aangetekend. Uit de naamtafel blijkt niet om welke goederen het daarbij ging. Vergelijk echter de opvolgende belening benevens "Protocol BB" in de inleiding en "Bijlage V".

1401 feb 6 (BB fol 43v)
Engelbert Vierdag na opdracht door Arnd Sticke van Lichtenhorst die Olde.

 

De Mate bij Diepenheim

To borchleen to Diepenhem: die Maet in den dorpe to Diepenhem.

Z.d. [1379-1382] (BA1 fol 79)
Pelgrim Sticke.

1394 aug 25 (BB fol 20)
Pilgrim Sticke.

* Die Maet, borchleen der heerschap van Diepenhem.
1408 okt 7 (BB fol 20)
Aerndt Sticke na de dood van zijn vader Pilgrim Sticke.

1433 aug 2 (BC fol 4)
Gelmer Stycke na de dood van zijn vader Aernt Sticke.

1433 okt 30 (BC fol 26v)
Bernt Stick.

1442 apr 15 (BC fol 62v)
Geert Sticke Berntssoen na de dood van zijn vader.

1475 feb 16 (BD fol 109)
Johan Stecke na de dood van zijn neef Geryt Stecke.
 

Een onbeantwoorde vraag is het, waarom in 1433 Gelmer Sticke Arndszoon, beleend wordt, en binnen een maand die leengoederen overgaan op enerzijds Johan Sticke en anderzijds Bernd Sticke, in wie we de twee broers Berend en Johan menen te herkennen, die in 1409 genoemd worden.

OOSTENWOLDE.
Dat goet geheiten Ebbenerve in den kerspel van Oostenwolde, daer an d' een sijde gelant is Gerbert Kocke ende an d' ander sijde jonge Jan Sticker, Heynman Lubbertssoon ende Herman Aeltssoon, streckende van den Noirthoepe opwert an Camperveene, tot eenen Zutphenschen leen opgedragen bij

Catrin in den Oostendorp , Lamberts dochter, huysfrou Dirx Siewerts, op
Arnt Sticker, end behelt Catrin dat goet ten Oostendorp met eenen
erve tot Oostenwolde na afsplitinge doses goets tot Ebbener 2),
a°. 1401.
Johan Sticker die olde, erve sijnes broders Arnts, a°. 1401.
Idem, anno 1402.
Bernt van den Holte bij transport Johans voorn., 3 Julii 1404.
Idem, anno 1424

Nog wordt genoemd een dochter Nenne Sticke, gehuwd met Bernd ten Holte (Berend van Holte is gildebroeder geweest van het St. Jorisgilde en van het St. Anthonisgilde te Elburg; hij wordt op 3 juli 1404 beleend met het goed Ebbenerve in Oosterwolde, dat hij krijgt door transport van Johan Sticke de oude).

Uit deze gegevens zou kunnen blijken, dat Nenne Sticke inderdaad een dochter was van Johan Sticke, maar dat kan haast niet Johan Sticke Pelgrimszoon zijn. Want Johan's broer Arnd Sticke stierf immers pas rond 1433. Bovendien was er -in principe- in 1401 geen reden om te spreken over Johan Sticke de oude, binnen de familie Sticke van Diepenheim, tenminste. Het is niet uit te sluiten, dat het in deze belening gaat om een andere Johan Sticke, misschien uit Deventer, misschien uit Zwolle. Want er waren wel wat meer takken Sticke, bijvoorbeeld Johan Sticke van Beeck, die ook met zijn broers Wolter, Gosen en Henrick Sticke van Beeck, rond 1390 actief waren in Overijssel:

Heraldieke Bibliotheek 1883 pag. 40
In 1391 had Overijsel weder een aanval te verduren van Dirc van der Marke, Johan van Zolmisse, Arnt van Guyterswyc, Gumpert van Alpen, voogd te Keulen, Johan van Hensbeke, Evert van Ulft en vele andere ridders (Reg. op het Camper Archief). Hierop slaat ook zeker de aanteekening in het Deventer oervedenboek: ,Item sint hulperen Heer Everts van Ulfte, Wolter Stecke, Johan Stecke, Gosen Stecke, Henrick Stecke, gebroder , Henrick van Oer, Johan Graes, Johan van der Holte, Willem van Heker”.

Hiermee lijkt het mij, dat ik in elk geval overtuigend heb aangetoond, dat het met de verschillende Sticke's een stuk gecompliceerder zit, dan ik tot dusver aannam.

Johan Sticke, + ca. 1468

Mij gaat het hier nu vooral om de voorouders van Jutte Sticke. Zij was een kleindochter van Johan Sticke, die rond 1468 overleed. Mensema noemt hem Johan Sticke de oude (maar of dat terecht is...?. Er was minstens nog een Johan Sticke, die 'de Olde' werd genoemd), en geeft deze informatie:

Johan Sticke de oude, zoon van Pelgrim Sticke en Hillegonde van Kuinre (dochter van Johan Kuinre en Geertruid van Bevervoorde), burger te Deventer, verschreven als riddermatige ter klaring Deventer 20 okt. 1460, beleend met Weldam 1415, overl. voor 20 april 1468, huwt Jutte van Pesie, dochter van Roelof van Pesie en N van Doornick

1. Johan Sticke, de jonge
2. Hillegonda, kloosterlinge
3. Margaretha X Hendrik (Heyne) van Laer, zoon van Johan van Laer tot Laerwold en Margriet ten Water, overl. na 1510; hij hertrouwt zijn meid Truy van Deventer
4. Frederik, burger te Deventer, vermeld 1466-1486, huwt voor 1475 Mechteld Freyse, dochter van Evert Freyse en Agnes Peyll.

Volgens van Rhemen was het huwelijk van Johan Sticke met Jutte van Peise rond 1415. Hun kinderen zullen dan geboren zijn in de periode 1415-1435, maar is die huwelijksdatum van 1415 juist? In elk geval werd Johan Sticke in 1415 beleend (kocht?) met Weldam, maar dat werd aangevochten door Wolter Borren, na de dood van zijn vader Gerrit Borren. Wolter Borre werd dan in 1416 weer beleend met Weldam. In 1433 wordt Johan Sticke opnieuw beleend met Weldam:

1433 okt 30 (BC fol 30v)
Johan Stick.
* Den Weldam mit synen toebehoer, gelegen in den kerspel van Goer, mitten goede toe des Hinders Huys.
1457 okt 20 (BD fol 35v)
Johan Sticke.
1468 jun 21 (BD fol 80v)
Johan Sticke na de dood van zijn vader Johan Sticke.

Ik laat hieronder enkele stukken volgen uit het boek 'De Havezaten van Twente' van Gevers en Mensema:

Het Nijenhuis was een leengoed van de bisschop van Utrecht. Omstreeks 1380 was met 'dat Nyehuys in der vriheit to Diepenhem' beleend Arend Sticke. De familie Sticke woonde te Deventer en was afkomstig uit het Keulse, maar had zich in de heerlijkheid Diepenheim aanzienlijke bezittingen verworven en zij waren op grond daarvan ook borgmannen van Diepenheim. Leden van de familie waren dikwijls lid van de Deventerse stedelijke magistraat. In 1394 werd Arends zoon Pelgrim Sticke, gehuwd met Hillegond van Kuinre, beleend. In 1401 liet 'tymmeringhe' verrichten aan één van zijn goederen te Diepenheim tot ongerustheid van de stadsregering van Deventer. Mogelijk wilde hij toen Nijenhuis versterken, hetgeen waarschijnlijk geen doorgang vond. Na zijn overlijden in 1408 volgde diens zoon Arend hem in dit bezit op. Deze was gehuwd met Soete, dochter van Hendrik van Apeldoorn. Als laatste van de familie Sticke werd in 1433 hun zoon Gelmer door de bisschop beleend met 'dat Nyehuys myt synen toebehoeren, gelegen in der heerscap van Dyepenhem.
In 1444 verkocht hij het goed aan Roelof Hondeberg de oude, die ook Singraven bij Denekamp bezat. Blijkbaar werd de verkoop na de dood van Gelmer Sticke door zijn erfgenamen betwist, want na diens dood werd in 1457 zijn neef Johan (I) van Beckum met het Nijenhuis beleend. (pag. 183) (N.B. met 'zijn neef Johan van Beckum' wordt bedoeld de neef van Gelmer Sticke)

Ofschoon het erve en goed Weldam pas voor het eerst genoemd wordt omstreeks 1380, vinden we de naam als familienaam veel eerder vermeld. In 1269 ruilde Otto, graaf van Bentheim, zijn dienstvrouw Aleid, die een dochter was van Eilert van den Weldamme, tegen een dochter van ridder Johan Dalsche met zijn zwager, graaf Otto van Dahl. Daaruit valt op te maken, dat het goed Weldam waarschijnlijk vanouds een Bentheims leen was, dat in later tijd geruild is tegen goederen van de Utrechtse bisschop. In ieder geval was Weldam aan het einde van de veertiende eeuw een bisschoppelijk leengoed. Nadien werd in 1278 nog genoemd een Wolter van den Weldamme als getuige en als verwant aan de Van Almelos. Mogelijk was Hendrik van den Weldamme zijn zoon, die in 1313 ambtman was van de graaf van Dahl. Diens zoon, eveneens Hendrik geheten, werd in 1328 door de bisschop benoemd tot kastelein van Goor en schout van Twente. In die functie trad hij veelvuldig op als getuige bij belangrijke gebeurtenissen, zoals bij de overdracht van het huis te Lage met zijn leenmannen en goederen door Herman van Lage en zijn vrouw in 1346 aan de Utrechtse bisschop.
Het was mogelijk zijn zoon Wolter, die omstreeks 1380 door de bisschop beleend werd met 'den Weldam vor des Stichts leen - gheleghen in den kerspel van Gore'.  Deze zelfde Wolter gaf in 1389 Weldam, samen met het erve en goed Kevelham, aan [zijn schoonzoon] Willem Splinter, gehuwd met Griete of Trude van den Weldamme tot onderpand voor een lening. Kennelijk kon Wolter van den Weldamme de geldsom niet terugbetalen. In 1392 werd de schuldeiser Willem Splinter met het goed beleend. Deze overleed in 1411, waarna diens zoon Wolter met het goed werd beleend. Deze Wolter Splinter, ook wel Wolter van den Weldamme genoemd, droeg in 1412 dit goed op aan de leenheer, de bisschop van Utrecht, ten behoeve van Coop Dalsche. Wolter moet kort daarop zijn overleden, want direct daarna lieten verschillende erfgenamen zich met Weldam belenen, zoals een zekere Geert Borre en Gerrit Splinter, een neef van Wolter. Naderhand werd ook de verkoop aan Dalsche niet erkend, omdat Wolter 'van noet syns lyves' niet in staat was geweest om persoonlijk opdracht van het goed te doen. Daarom werd aan het eind van 1412 Griete van den Weldamme, toen pas gehuwd met Andries van Heeckeren, ook nog eens beleend met Weldam na de dood van haar zoon. Nog diezelfde dag gaf Griete aan haar man het vruchtgebruik van het goed
ten Weldam. Tenslotte werd Weldam in 1415 verkocht aan Johan Sticke. Een gerust bezit was het echter geenszins, want in 1416 trachtten Gerrit en Hendrik Splinter nog de rechtsgeldigheid van de verkoop aan te vechten en liet Wolter Borre zich nog eens na de dood van zijn vader Geert Borre met het goed belenen om zijn aanspraken te kunnen laten gelden. Maar in 1433
werd Johan Sticke ongehinderd opnieuw met Weldam beleend, waaruit blijkt dat hij toen de onbetwiste bezitter van het goed was.

Met de familie Sticke betrad een vooraanstaande familie het toneel, die reeds in het richterambt Diepenheim belangrijke rollen vervulde. Daar bezat zij ondermeer de latere havezate Nijenhuis en behoorde zij tot de borgmannen van Diepenheim. Ook woonden leden van deze familie binnen de stad Deventer, waar zij belangrijke openbare ambten vervulde, zoals schepen van
de stad. Johan Sticke was een zoon van Pelgrim Sticke en Hillegond van Kuinre en burger van Deventer. Als riddermatige verscheen hij in 1460 op de klaring te Deventer. In 1468 overleed hij en werd zijn zoon Johan met Weldam beleend. Ter onderscheiding van zijn vader kreeg deze Johan Sticke de bijnaam 'de jonge'. Johan Sticke 'de oude' was gehuwd met Jutte van Pesie, een dochter van Roelof van Pesie, die het goed Vogelzang bij Almelo bezat, de latere havezate Bellinkhof.
Johan Sticke de jonge verscheen naast zijn vader in 1460 op de te Deventer gehouden klaring. In 1484 werd hij door de landsheer benoemd tot kastelein van Blankenborg bij Haaksbergen. Hij overleed in 1488. Als weduwnaar van Lutgerd van Essen was Sticke omstreeks 1483 hertrouwd met Elsabe van Middachten, een dochter van Herman van Middachten en Walburga van Diepenbroeck. Uit dit laatste huwelijk stamden twee dochters. (pag. 366-367)