van Brakel (onder constructie)
 

Door het huwelijk van Adriana van Brakel met Jan van Broekhuysen, heer van Waardenburg, komt deze familie voor in mijn kwartierstaat. Hun dochter Agnes van Broekhuysen tot Weerdenburg trouwde rond 1443 met Frederik van den Rutenberg. Adriana van Brakel was een dochter van Staeske van Brakel gehuwd met Catharina, en we zien hen vermeld in de Leenactes van Gelre:

J.J.S. Baron Sloet, register op de leenacten van Gelre, Het kwartier van Nijmegen, p. 616.

Dat huys to Brakel.
Steesken van Brakel ontfengt die voors. parcelen tsamen, anno 1402.
Idem tuchtigt sijn vrou Catrin van Brakel, eodem anno.
Adriana van Brakel, huysfrou Jans van Broickhuysen van Weerdenburch, erve hares vaders Steeskens, anno 1420.

Jan van Broeckhuysen van Weerdenburg overleed rond 1442. In de Kroniek Werken Gelre nr. 5 (1904) staat op pagina 55 over hem:
Johan van WEERDENBURG her Willems oudste soen van BROECHUSEN was seer groot ende vet ende was die ZEVENDE heer van WEERDENBERCH, dat hi ontfinc van hertog Willem van Gelre etc. na inhout sijns vaders testaments waarbij als leenmannen: her Hubert heer van CULEMBORG en her Robert van APPELTERN, rittere , int jaar 1401.

Adriana van Brakel trouwde vermoedelijk tussen 1400 en 1407 met Jan van Broeckhuysen tot Waardenburg. In elk geval wordt zij in 1410 genoemd als echtgenote van Jan van Broeckhuysen, terwijl zij in 1442 nog in leven is:

26-10-1410: Adriaen Steeskensdochter van Brakell, gehuwd met Johan van Broichuzen, heer van Weerdenborch (Financiele Instellingen, B. 271, fo. 16~)
13-3-1436: Adriaen Steeskensdochter van Brakell, gehuwd met Johan van Broichuzen, heer van Weerdenborch met ledige hand (Idem, B. 273, fo. 37~).
26-9-1442: Steetsken van Broeckhuysen en Weerdenborch na overdracht door zijn moeder Adriaen van Brakel, gehuwd met Johan van Broechuysen (Idem B. 273, fo ??).

Uit de belening van het huis te Brakel zien we dat Catharina NN. vermoedelijk de moeder van Adriana van Brakel was, hoewel dat niet met zoveel woorden wordt gezegd. Ondanks tamelijk veel zoekwerk ben ik nog geen gegeven tegengekomen, waaruit onomstotelijk blijkt, uit welke familie Catharina afkomstig was. Op de grafsteen van ridder Frederick van Twickelo, die een achterkleinzoon was van Staaske van Brakel, staat het gedeelde wapen van Brakel (2 opgerichte naar buiten gewende vissen)  - van Polanen (3 halve manen) rechtsonder:

Op grond daarvan wordt wel gezegd, dat Catharina van Polanen de moeder was van Adriana van Brakel. Nu zit er tussen deze grafsteen en Steeske van Brakel minstens 100 jaar, omdat ridder Frederick van Twickel in 1545 overleed, en het is dus maar de vraag of alle gegevens wel goed waren onthouden. Bovendien wilde men in die tijd nog wel eens wat sjoemelen met de voorouders. Dus op grond van slechts dit gegeven, is het niet verantwoord om vrouwe Catharina te kwalificeren als een 'Polanen'. Er waren immers wel meer families, die het wapen met de 3 halve manen voerden, zoals bijvoorbeeld 'van Asperen' in de oude takken.

Ook Staes van Brakel blijkt moeilijk te positioneren in de familie van Brakel. In de literatuur wordt hij meestal geidentificeerd als Staaske van Brakel, heer van Langerak. Er blijken trouwens in ongeveer dezelfde periode twee vrouwen te zijn met de naam Adriana van Brakel. De andere Adriana van Brakel was voor 1424 gehuwd met Willem van Isendoorn Alartszoon. Zij was een dochter van Johan van Brakel.


In 1402 is Johan van Brakel getrouwd met Johanna van Bloemesteyn, die in 1406 overleden is. Hun kinderen zijn Dirk en Adriana van Brakel. De hulder Steesken van Brakel die in 1418 optreedt voor deze Adriana van Brakel, zou wel eens een oom van Adriana kunnen zijn, maar hij zou ook een andere broer van Adriana kunnen zijn geweest. In 1429 lijkt Adriana van Brakel, gehuwd met Willem van Isendoorn al te zijn overleden.

Dat er twee Adriana's van Brakel zijn in deze periode is minstens opvallend te noemen, omdat de naam Adriana bij de familie van Brakel voorheen niet erg bekend is. Qua tijd zouden zij nichten van elkaar kunnen zijn geweest.

Bovenstaande leenvermelding is op zijn minst erg verwarrend. Het lijkt erop, dat er in 1382 een verwijzing wordt gegeven naar een oudere situatie, omdat Hendrik van Vianen, heer van Ameide, dan constateert, dat het gerecht van Brakel en Rodengoye voorheen gehouden werd door heer Staas van Brakel van heer Gerard van Loon, en dat diens erven hielden van de heer (heren) van Herlaer, heer van Ameide, en dat heer Staaske van Brakel, neef van de leenheer, het nu van hem (Hendrik van Vianen, de leenheer) hield. In 1432 houdt in elk geval Adriana van Brakel, dochter van heer Staaske van Brakel dit goed, en zij heet hier nicht van de leenheer, maar daaraan moeten we niet teveel gewicht toekennen.

In zijn artikel in 'Tussen Voorn en Loevestein' nr. 114 van december 2001 bespreekt Alois van Doornmalen de situatie in deze regio. Op blz. 1 schrijft hij daar onder meer, dat heer Gerard van Loon, gehuwd met de vrouwe van Herlaer, en Gerard van Waardenburg getuigen zijn in 1310 als Jan van Hemert zijn kasteel te Nederhemert tot een open huis maakt van de graaf van Gelre. We zien hier dus dezelfde Gerard van Loon genoemd, die begin van de 14de eeuw bezittingen heeft, die hij erfde via zijn huwelijk met een dochter van de heer van Herlaer en Ameide. Uit genoemd artikel blijkt ook, dat Staes van Brakel en Gerard van Waardenburg aanhangers waren van Reynald II van Gelre, die in de periode 1316-1319 in conflict was (rebelleerde) tegen zijn vader Graaf Reynald I van Gelre.

Het geslacht van Herlaer stierf uit in de mannelijke lijn rond 1400. De laatste vrouwelijk telg was Heylwig (ook Hadewich) van Herlaer, en zij trouwde met Hendrik van Vianen, die daarmee Heer van Ameide, Tienhoven en Herlaer werd. Maar het is wel aardig om eens te kijken wie haar voorouders waren. Zij was een dochter van Jan van Herlaer, heer van Ameide, en Maria van Asperen, dochter van Otto van Asperen en Hagestein en Aleyd van Avesnes. Jan van Herlaer op zijn beurt was de zoon van Dirk van Herlaer, heer van Ameide met Heilwich van Arkel (dochter van herbaren van Arkel).

Deze Dirk van Herlaer wordt gezien als de oudste zoon van Gerard van Lo(o)n, die trouwde met Aleyd van Herlaer, erfdochter van Theoderic van Herlaer. Daarmee zijn we eindelijk aangeland bij Gerard van Loon, die in de belening wordt genoemd, en van wie heer Staes van Brakel vroeger het gerecht van Brakel en Rodegoy hield.

Gerard van Loon (+ na 1314) X Aleyd van Herlaer, Theodericsdochter
                       |
            Dirk van Herlaer (+ na 1341) X Heilwig van Arkel (Herbarensdochter)
                       |
                Jan van Herlaer, heer van Ameide, X Maria van Asperen (* ca. 1340,+ na. 1393)
                                                        |
                                                Hadewich van Herlaer X Hendrik II van Vianen (+1417)

We mogen dus met een gerust hart de conclusie trekken, dat de latere heer Staaske van Brakel, leenman in 1382 van Hendrik II van Vianen heer van Ameide, een directe nazaat is van deze oudere heer Staes van Brakel, leenman van Gerard van Loon rond 1310. Is deze oudere heer Staes van Brakel samen met Jan de Cock en Gerard van Weerdenburg één van de helpers van Reynald II van Gelre rond 1316? Algemeen wordt dat aangenomen, maar of dat echt zo was, is bepaald niet zeker. Immers: Staeske van Brakel tussen 1316 en 1318 genoemd als helper van de gravenzoon Reynald II van Gelre wordt door Alois van Doornmalen 'knaap' genoemd. Als het inderdaad ging om de knaap Staes van Brakel, dan was hij van een latere generatie dan heer Staes van Brakel, ridder, leenman van heer Gerard van Lo(e)n. Het wordt dus een boeiende vraag, wie deze knaap Staesekinus van Brakel nu precies was. In de acte van veroordeling, 22 januari 1320, wordt hij slechts Stesekiin van Brakel genoemd, terwijl in de aankondiging van oktober 1319 hij ook slechts met zijn naam wordt aangeduid (en nog wel als laatste der aangeklaagden). Als het hier had gegaan om Staes van Brakel, gehuwd met Bertha Uten Goye, dan was hij beslist als eerste genoemd geweest, want deze heer Staes van Brakel had flink veel aanzien. Het lijkt dus te gaan om een andere Staes van Brakel. Misschien was hij de zoon van heer Staes van Brakel, misschien ook was hij Staeskinus Ghijsebrechts van Brakel, die in 1319 wordt beleend:

Leenacten betreffende Geldersche goederen, 1313-1334. Uit het grafelijkheidsregister van Holland genaamd: Ghelre E. L. 30, berustende in het Rijksarchief te 'sGravenhage, meegdeeld door P.N. van Doorninck. Mededelingenblad Gelre 1900 blz. 267.

1319 — November 3.
Wi Willem grave etc., dat Stasekiins Ghisebrecht sone van Brakel verlient hebben met desen brieve XVI morghen land ende ghesate in Brakel, leghende upt ende te Woudrichem waerd in sheren Jans lande van Brakel op die ene side ende Harman Reynboudssoens land op die andere side, in alre manieren alst Ghisebrecht, siin vader, van ons te houden plach. In oirkonde etc. Datum in Woudrichem sabbato post Omnium Sanctorum anno domini MCCC nonodecimo. folio 6.

Op zijn minst opvallend is het, dat de graaf van Henegouwen, Zeeland en Holland hier optreedt als leenheer in het gelderse Brakel. Dat betekent dat we hier in een schimmig grensgebied zitten tussen Gelre en Holland. Deze graaf Willem speelde ook een belangrijke rol in het conflict tussen vader en zoon Reynald van Gelre.

Ik ben absoluut geen kenner van deze gebeurtenissen, maar ik begrijp ervan, dat er twee conflicten zijn: enerzijds tussen graaf Willem van Henegouwen, Holland en Zeeland met Reynald I graaf van Gelre en de heren van Lynden, en anderzijds van Reynald II, de gravenzoon, met enkele helpers tegen diens vader graaf Reynald van Gelre, maar ik vraag me af of het ene conflict los gezien kan worden van het andere. In Nijhoff deel 1, nr. 178, gedateerd 3 september 1318 spreekt graaf Willem III van Holland zijn oordeel uit in het conflict tussen graaf en zoon van Gelre. Daarin wordt ook als één der laatste zegelaars genoemd Steskinus van Brakel, die zonder enige titel wordt genoemd.

Aan het eind van dit conflict wordt dan 3 nov. 1319 Steskinus Ghijsebrechts van Brakel door graaf Willem (van Holland) beleend met 16 morgen land in Brakel en Woudrichem. Toeval?

Staes van Brakel, de jonge

In 1392 zien we heer Staaske van Brakel genoemd als kennelijke nazaat van heer Staes van Brakel, en hij is in 1402 nog steeds in leven. Wanneer hij precies is overleden, wordt niet geheel duidelijk, maar op grond van de beschikbare gegevens is dat vermoedelijk geweest ergens tussen 1402 en 1410.

Op grond van de formulering van de belening van Brakel en Rodegoy lijkt het mij niet waarschijnlijk, dat Staeske van Brakel uit 1382 een zoon was van heer Staes van Brakel, leenman van heer Gerard van Loon, omdat dat er dan vermoedelijk wat explicitier zou hebben gestaan. Bovendien lijken ook andere gegevens deze stelling te bevestigen. Meest waarschijnlijk is het, dat hij een kleinzoon was van Staes van Brakel uit 1321.

Daarom maken we nu een sprongetje naar 1321. We zien dan een heel bekende acte, waarin Staes van Brakel zijn huis tot een open huis maakt voor de zoon van de graaf van Gelre. Daarbij was ook aanwezig zijn zoon Steeske van Brakel. Waarom vond die gebeurtenis plaats? Daarover valt veel te vinden in het artikel voornoemd in 'Tussen Voorn en Loevestein' december 2001.

Zoals gezegd rebelleerde Reynald II van Gelre in de periode 1316-1318 tegen zijn vader graaf Reynald I van Gelre. Mogelijk vind dit al zijn oorsprong in de slag bij Woerringen, die tot gevolg heeft gehad, dat de graaf van Gelre veel van zijn invloed verloor, en zich nadien moest richten op consolidatie van de macht in zijn graafschap. We zien dat in deze periode veel lokale edelen hun huis tot een open huis maken voor de graaf van Gelre, die daarmee deze edelen aan zich bindt. In 1321 doet dus ook Staes van Brakel dat, maar dan wel aan de zoon van de -nog steeds levende- graaf van Gelre. Is dat een uitvloeisel van de gebeurtenissen in 1316-1318? Mogen we dit interpreteren als een aanwijzing, dat in 1321 Staes van Brakel identiek is aan degene in de periode 1316-1318? Dat is erg lastig uit te maken, omdat er dus in diezelfde tijd een verwant was, Staes Ghijsebrecht van Brakel.

Een tweede belangrijke vraag wordt ook, of Staes van Brakel, die zijn huis tot open huis maakt in 1321, identiek is aan Staes van Brakel, gehuwd met Bertha Uten Goye.



 

Ik heb maar een deel van deze acte weergegeven, omdat de inhoud ervan hier niet erg belangrijk is. Het is jammer, dat er in deze acte geen titels gebruikt worden. Er is slechts sprake van Eustacius en zijn zoon Steskinus van Brakel. In de belening van het gerecht Brakel en Rodegoy wordt in 1382 gesproken over heer Staas van Brakel, die hield van heer Gerard van Loon. Deze heer Staas van Brakel, leenman van Gerard van Loon leefde dus omstreeks 1300, en gezien de gebruikte titel 'heer' was hij ridder.

Beleningen in Langerak en Lopik verzameld door J.C. de Kort

12. Langherack (1343: aan beide zijden van de Lecke met het (1381: lage) gerecht, tienden, het veer, visserijen c.a. en de leenmannen n.1. (in 1475: Gerijt van Poelgeest met 2 tiendblokken aldaar ten zuiden van de Leek, de vrouwe van Asperen met het lage gerecht aldaar ten zuiden van de Leek, Gijsbert Gerwersz. met 9 morgen aldaar ten noorden van de Leek op het Scheer, Johan Petersz. met 2 morgen gelegen als het vorige en Heynric Goeyersz. met 3 morgen gelegen als het vorige).

.-.-12..: Walter van Goye, vermeld op 25-4-1272 (R.A. Utrecht, Heerlijkheid archief Cabauw en Zevender 57) en op 27-5-1274 als Wouter, heer van Goye, Haghensteine en Langherake en dan zegelt: gedwarsbalkt van 6 stukken, de oneven balken van vair (R.A. Utrecht m.s. 1333).

.-.- 1 . . . . Jan van der Goye, heer van Haghensteyn, vermeld op 6-1-1305 en in 1310 (R.A. Utrecht, Financiële Instellingen 84, Voet van Oudheusden: Beschrijving van Culemborg, blz. 677 en B. 206, f. 42).

.-.-131.: Johans kint uten Ghoye, vermeld op 7-6-1313 (Duitsche Orde, 742).

18-1-1330: Margrite uten Goye, gehuwd met Henric van der Lecke heer Pietersz., na verzuim met ledige hand, bij dode van haar vader Jan van der Goye, heer van Hagesteyn, indien zij kinderloos overlijdt, zal het leen op haar man versterven (B. 280 en Financiële Instellingen 84).

20-3-1343: Staesken van Brakel de Jonghe, wiens moeder een zuster was van Jan van de Goye, heer van Hagesteyn, zoals zijn voorouders uten Goye (Financiële Instellingen 84)

..-.- 13..: Johan van Arkel, als leenheer vermeld 1386, die kreeg toegewezen van heer Otto, heer van Arkel, die erfde van heer Johan, heer van Arkel, diens vader, die kocht van heer Walraven van Valkenburg, heer van Born, gehuwd met de dochter van de heer van Asperen, in eerste echt gehuwd met heer Robert van Arkel, die aankwam van haar vader, nadat afgestorven was van Margaretha uten Goye, gehuwd met heer Hendrik van de Lek, die aankwam van heer Jan uten Goye, die hield van Cuyk, hoewel bij de dood van Margaretha naaste erfgenaam was de grootvader van heer Staasken van Brakel, omdat diens moeder de zuster van Jan uten Goye was; hierna zat heer Allard van den Wale voor heer Staasken op het huis Hagestein, dat met twee hoeven leen was van de graaf van Gelre, “Ons Voorgeslacht”, jrg. 39, 1984, p. 604 nr. 15, LRK 61 fo 3v-4, Codex diplomaticus, 2e serie, 11, pp. 200-201.

Deze beide vermeldingen beschrijven een oude situatie. De tweede vermelding is uit een later tijdstip dan de eerste, en is vermoedelijk opgesteld rond 1386. Daarin lezen we dat de grootvader van heer Staaske van Brakel erfgenaam was van Margaretha Uten Goye (+1331-1333), omdat zijn moeder een zuster was van Jan Uten Goye. In de eerste vermelding uit 1343 lezen we, dat de moeder van Staeske van Brakel, de jonge, een zuster was van Jan Uten Goye.

Laten we eerst eens daarnaar kijken. Zoals Vermast aangeeft in NL 1949/1950 in zijn artikelreeks over de Heren Uten Goye was Jan Uten Goye een zoon van Gijsbrecht Uten Goye X Margaretha van Teylingen. Bertha Uten Goye, een dochter uit ditzelfde huwelijk en dus zuster van Jan Uten Goye zoals de vermelding van 1343 ook zegt, was gehuwd met Staes van Brakel. Staes van Brakel, de jonge, uit 1343 moet dus de zoon zijn geweest van Staes van Brakel sr. X Bertha Uten Goye.

In de tweede -latere- vermelding zien we dat na het overlijden van Margaretha Uten Goye, gehuwd met Henricus van de Leck (en nog in leven in 1330), haar naaste erfgenaam zou zijn de GROOTVADER van heer Staeske van Brakel, omdat diens moeder een zuster was van Jan Uten Goye. Ik kan dit niet anders lezen dan: de grootvader van Heer Staeske van Brakel (vermeld in 1382) is identiek met Staeske van Brakel de jonge vermeld in 1343. Als we deze twee gegevens combineren, dan betekent dit voor de stamreeks:

1. heer Staes van Brakel X Bertha Uten Goye (+ voor 1316 ?)
2. Staeske van Brakel, de jonge, geboren rond 1295, + na 1343
3. Steskinus van Brakel * 1315-1367
4. Staeske van Brakel, heer van Langerak (1350-1402/1410) x Catharina NN.
5. Adriana van Brakel * omstreeks 1385 X Jan van Broeckhuysen

In de gangbare opvattingen worden nr. 2 en nr. 4 wel eens aan elkaar gelijkgesteld met als argument dat Staeske van Brakel, heer van Langerak, erg oud is geworden, maar die gelijkstelling is op grond van de genoemde gegevens eigenlijk niet houdbaar. Maar is deze stamreeks wel mogelijk wat betreft tijdspanne? Daarvoor moeten we toch wat duidelijker proberen te krijgen, wanneer deze generaties geleefd hebben. Wat betreft Staes van Brakel en zijn vrouw Bertha Uten Goye mogen we in navolging van Vermast concluderen, dat Bertha Uten Goye voor 1316 is overleden, maar haar man Staes van Brakel was toen nog in leven, en verkocht voor 1316 het zesde deel uit de erfenis, toekomend aan zijn vrouw Bertha, aan zijn zwager Dirc van den Wale.

Frans van Mieris,  Groot Charterboek der Graven van Holland, deel 2, pag. 544
4 mei 1333: Uitspraak van den Graaf (Willem van Henegouwen) over 't verschil tusschen Heere Jan van der Wateringe en Willem van Brawoude.
 

Wi Willem, Grave enz. maken condt enz wand Willem van Brawoude, die men hiet van Engheland, onze langhe ghevolghet heeft, ende swairliken ghecroent van onrechte, dat hem Hair Jan van der Wateringhe zoude hebben ghedaen an renten, ende an lande, gheleghen te Vlairdinghe in Heeren Jans Gherechte voirnoemt, die hier voirmaels waren Joncvrou Willem van Theylinghen, ende wi te veel stonden, waerheden of hebben doen zoeken, ende landzaghen of hebben doen zegghen, ende ymmer en wards gheen ende, zoe hebben wi ons mid onsen ghemeenen Rade ons wel versien, ende seggen alse Heer over recht, dat Willem voirscreve hebben sel die vyf pond Hollands sjairs, die hi cofte jeghens den goedshuyze van der Lee, ende dat hi die vyf pond 's jairs vorenuytnemen zal van allen den lande, dair si op geset sien. Voirt so liet die Vrouwe van Haghensteyne ses kindre, dair op quam Joncvrou Willem eyghen land van Teylinghe, des quam een zestendeel op Heeren Goeswijns wyf van Rossen, ende Dirc van den Wale cofte dair of vier sestendeel, een jeghens Janne uyyten Goye, een jeghens Ghizebrecht uyten Goye, een jeghens Stazekyn van Brakel, ende een jeghens Heeren Jacobs dochter van Lichtenberch, ende dese vier zestendele vercofte Dirc van den Wale, Willem van Engheland, ende na allen wairheden ende zaghen, die dair of ghegaen sien, zoe vinden wi Willem voirn. mitten rechte in die vier zestendeel van den lande voirsz. ter tijd toe, dat men mid enen rechte dair uyt winne.
In oirkonde enz. ghegheven in de Haghe des Dynsdaghes na Meydach, in 't jair XXXIII.
(Perkament MS. van de Charterkamer pag. 81)


N.B. Willem van Brawoude van Engeland was jarenlang klerk voor Wilem van Henegouwen. Hij wordt genoemd in 1316 als hij wordt beleend in Vlaardingen en omgeving.

Deze aankoop van 4/6 deel van de erfenis van de Vrouwe van Hagesteyn door Dirc van den Wale is gebeurd voor 1316, omdat Dirc van den Wale in 1316 overleed. Omdat in deze acte wordt gezegd, dat Dirc van den Wale het zesde deel kocht van Stazekyn van Brakel trekt Vermast de conclusie dat diens vrouw Bertha Uten Goye op dat moment dus al was gestorven. Daar valt iets voor te zeggen, want bijvoorbeeld wordt heer Goeswijns wyf van Rossen wél als erfgename genoemd. Ik sluit zelfs niet uit, dat in bovenstaande acte de genoemde Stazekyn van Brakel mogelijk al Stazekyn de jonge betreft.

Uit de periode 1300-1330 zijn vrij weinig actes bekend, waarin Staes van Brakel voorkomt.

Klooster Sint-Catharina in Heusden, 1308 - 1598
Akte van vestiging, door Eustatius dictus Steseken de Brakel, ridder, en Helias, lakensnijder, beiden poorters van 's-Hertogenbosch, van erfcijns op hun goederen op De Donk bij 's-Hertogenbosch ( eertijds bezit van heer van Batenborg) , te betalen door Johan, zoon van Rutger van Eikendonk en Arnold de Fine de Rumel, die daartoe genoemd goed in gebruik krijgen, vidimus, 1308


(Gedeelte van de volledige acte uit 1308, Oorkondeboek van Noord Brabant tot 1312, deel 1)

Vrouwe Beerta van Neynseel, vrouw van heer Eustaes van Brakel, ridder.
Bron: Het obituarium van de Sint-Janskerk te DB, blz.227.
Opmerking van Hans Vogel: qua chronologie is deze inschrijving slechts toepasbaar op het begin van de 14e eeuw.

Archief Familie van Lanschot, regesten 1294 - 1496
1326 april 6 sabbato post dominicam Quasimodo
Eustatius dictus Stesken de Brakel en zijn vrouw Bertha hebben verkocht voor schepenen van 's-Hertogenbosch aan Gossuinus Steenwech het middelste deel van een heiveld in Esch.

Nu blijkt er een erg interessant gegeven te bestaan met betrekking tot Bertha van Neynsel. Dat gegeven komt uit HET CIJNSBOEK VAN DE HERTOG VOOR DE MEIJERIJ VAN 'S-HERTOGENBOSCH VAN 1340 (bewerkt door Martien van Asseldonk). Daarin komt de volgende transcriptie voor:

fol. 73 Osse
Cijnzen van de heer hertog, ontvangen in Osse, op de dag na H. Wilbrordus (in crastino beati Wilbrordus)
3. Berta van Neynsel, 4 1/2 oude schellingen
later: Staeskinus van Brakel, de jonge
betaald: 1340 t/m 1351, behalve in 1348

fol. 109 Oesterwyc
Cijnzen van de heer hertog in Oesterwyc op de dag van de H. apostel Thomas
50. Berta van Neysel, 8 nieuwe schellingen
bijschrift: teruggegeven
bijschrift: vacat
opmerking: Volgens de aantekeningen in de marge is deze cijns in de periode 1340-1351 niet betaald.

 

Met name de eerste optekening is van belang, want we zien daar denkelijk een bevestiging, dat Bertha van Neynsel getrouwd was met Staeske van Brakel (alleen blijft nog de vraag: welke Staeske?). En wie is degene die later de cijns voldoet, Staeskinus van Brale de jonge zoals hij daar wordt genoemd? Is hij een zoon of is hij de echtgenoot? Over Staes van Brakel, de echtgenoot van Bertha van Neynsel is dus bekend, dat hij is:

1. Ridder volgens het obituarium van de St. Janskerk
2. Getrouwd met Bertha van Neynsel voor 1326
3. Mogelijk identiek aan de vermelding in Den Bosch in 1308 volgens het vidimus.
 

Deze gegevens ondersteunen mijn veronderstelling, zoals eerder weergegeven. Eustatius van Brakel X Bertha Uten Goye waren denkelijk zijn ouders, en het huwelijk van die twee dienen we voor 1290 te stellen. In 1308 kan hun zoon dan inderdaad al ridder zijn.

Ook op grond van de gegevens van Vermast kunnen we best stellen, dat Staes van Brakel en Bertha Uten Goye ruim voor 1300 zijn getrouwd. Een huwelijk rond 1290 is heel goed verdedigbaar, en dat zou betekenen, dat hun zoon Staes van Brakel, de jonge, al heel wat eerder geboren is dan tot dusver werd aangenomen. Een geboorte van Staeske van Brakel jr. rond 1290 is heel goed mogelijk!

Dat alles betekent, dat Staes van Brakel, de jonge, in 1321 al getrouwd kan zijn geweest, dat kennelijk was in 1326 en dus in 1330 al kinderen kan hebben gehad. Doorrekenend is het dus ook mogelijk, dat die kinderen in 1360 zelf al kinderen hadden, zodat het in elk geval mogelijk blijkt te zijn, dat er sprake is geweest van de bovenstaande stamreeks. Tegelijk lijkt het hiermee uitgesloten, dat Staes van Brakel, ridder genoemd, een helper was van Reynald II van Gelre. Dat moet haast wel gaan om Staes Ghijsebrecht van Brakel.

Overwegingen

Zoals ik al ergens eerder schreef, is dit stuk gebaseerd op feiten, maar ik ontkom niet er niet aan om ook enkele aannames te doen. Eén daarvan is, dat Staes van Brakel uit 1308 identiek is aan Staes van Brakel gehuwd met Bertha van Neynsel, en dat hij een zoon was van Staes van Brakel X Bertha Uten Goye. Die aanname maak ik, omdat er in het beleningsstuk van 1343 sprake is van Staeskinus van Brakel de jonge, in 1326 een melding is van Staes van Brakel met zijn vrouw Bertha. Maar waterdicht is dit alles zeker niet. Zo is het nog altijd mogelijk, dat Staes van Brakel na zijn huwelijk met Bertha Uten Goye hertrouwd is met de jongere Bertha van Neynsel, en dat we van haar cijnsstukken tegenkomen uit de periode 1340-1350, die in die periode worden 'overgenomen' door Staeskinus van Brakel, de jonge, zoon uit het -dan- eerste huwelijk van heer Staes van Brakel. In deze constructie is de openstelling van het huis Brakel gedaan door heer Staes van Brakel de oude, die dan in 1326 nog in leven was.

Een tweede lastige punt blijft het huwelijk van Staes van Brakel met Bertha Uten Goye. Als dat voor 1285 heeft gelegen, dan is Bertha Uten Goye dus geboren voor 1270. Qua tijd is dat allemaal krap, maar niet onmogelijk. Uitgaand van de schattingen van Vermast zouden de zes broers en zusters Uten Goye, kinderen van Vrouwe Margaretha van Teylingen, geboren zijn rond 1275. Ik heb zelf de indruk, dat dat wel wat eerder zal zijn geweest, met name ook door het feit, dat vrijwel alle zes kinderen overleden zijn voor 1316, en dus volgens deze schatting niet ouder werden dan 40 jaar.

Kinderen van Staes van Brakel en Bertha Uten Goye zouden geweest kunnen zijn:

1. Staeske van Brakel X Bertha van Neynsel
2. Johan van Brakel X Margriete van Riede
3. Dirk van Brakel, genoemd in 1308 in een erfenisconflict vanwege zijn zuster Bertha van Brakel, met de erfgenamen van Sweder van Zuylen
4. Bertha van Brakel, gehuwd rond 1297 met Sweder van Zuylen

Ervan uitgaand, dat mijn veronderstellingen juist zijn, dan was Steeskinus van Brakel, in 1321 genoemd als zoon van Staes van Brakel, de volgende in de reeks. Over hem is weinig bekend, maar er is een kleine kans, dat zijn vrouw Adriana heette. Dat leid ik af uit het voorkomen in 1410 van twee Adriana's van Brakel, de ene een dochter van heer Staes van Brakel, de andere een dochter van Johan van Brakel. Het is gezien die vernoemingen heel goed mogelijk, dat hun (groot)moeder Adriana geheten was.

11-9-1381: Het leen wordt als belending genoemd, wanneer Staasken van Brakel, heer van Langerak, ridder, een waard in Brakel in tijns geeft aan Johan van Brakel, zoon van heer Johan van Brakel, zijn neef, Hoge Raad van Adel, Familie van Matenesse, inv. 893)

Dit stuk lijkt te zeggen, dat heer Staes van Brakel een broer Johan van Brakel had, ridder (hoewel de formulering in dit regest niet uitsluit, dat heer Johan van Brakel zelf die neef was van Staes van Brakel).

Nog enkele informatieve gegevens:

Heren en graven van Culemborg
27 maart 1335
Steesken van Brakel verklaart op te dragen aan heer Heynric van der Lecke, ridder, de manschap en het goed, die van hem uit het goed Langhereec houden heer Everart van Ulft, heer Herman van Steynre, ridders, Daem, zoon van wijlen heer Vrederic, heer van den Berghe, Doys van Diden en Heynric die Ghyer. 

8 sept. 1336 verklaart de bisschop van Utrecht te zijn overeengekomen met graaf Willem van Holland, Jan van Beaumont en de andere heren in de Lopikerwaard, te weten de heer van IJsselstein, Otto van Asperen, Hubrecht Schenk van Culemborg, ridders, en Jan van Montfoort, Staeskin van Brakel en Gerard van Vliet, knapen, om een nieuw dijkrecht vast te stellen voor het gebied tussen de Nieuwedam in de IJssel en Schoonhoven.

Acte van overdracht door Steesken van Brakel aan Henric van der Leck van de manschap en het goed, verbonden aan het goed Langerak, 1355.

1355 januari 27 feria quarta post diem conversionis beati Pauli apostoli anno Domini millesimo trecentesimo quinquagesimo quinto
Theodericus genoemd de Brakel, zoon van wijlen ridder Eustatius de Brakel, heeft afstand gedaan voor schepenen van 's-Hertogenbosch voor Henricus Huttensoen van zijn recht op naasting van een deel van een goed in de Hinthamerstraat en de aanliggende straat.

 

De Vrouw van Staeske van Brakel, heer van Langerak

Oudere literatuur noemt haar vaak Catharina van Polanen, zoals bijvoorbeeld van Rhemen, die dat vermoedelijk ook baseert op kwartieren die hij noemt:

    

Zeker lijkt het in elk geval te zijn, dat zij Catharina heette:

J.J.S. Baron Sloet, register op de leenaccten van Gelre, Het kwartier van Nijmegen, p. 616,

Dat huys to Brakel.
Steesken van Brakel ontfengt die voors. parcelen tsamen, anno 1402.
Idem tuchtigt sijn vrou Catrin van Brakel, eodem anno.
Adriana van Brakel, huysfrou Jans van Broickhuysen van Weerdenburch, erve hares vaders Steeskens, anno 1420.

We weten, dat Staeske van Brakel heer was van Langerak en dus ook ridder was. Dat was hij al in 1369 want daar wordt hij genoemd in Brakel met een aantal verwanten:


Schatting van den Lande van Gelre voor het Overkwartier en de Betuwe van 1369 (blz 227) door P.N. Doorninck

Hieruit valt wel op te maken, dat hij geboren zal zijn voor 1350, en omdat hij vermoedelijk kort voor 1410 overleed, is dat een aannemelijke schatting. Ingewikkeld wordt dit hele vraagstuk nu weer, omdat in 1412 Gudel van Brakel trouwt met Willem van Druten. Godeld of Gudele van Brakel was een dochter van Staes van Brakel en Katharina van Asperen en Vueren. Bij haar huwelijk in 1412 leefde haar vader niet meer, maar haar moeder nog wel, zodat zich nu de vraag voordoet, of het hier gaat om Staes van Brakel, heer van Langerak. Ik denk zelf dat Gudeld een dochter is van een ander echtpaar Staes van Brakel dan Adriana van Brakel, die trouwde met Jan van Broeckhuysen. Immers, aan dit laatste echtpaar ging het huis te Brakel over in 1420 als erfenis van haar vader, kennelijk onverdeeld. Dat lijkt mij toch een sterke aanwijzing te zijn, dat Adriana op dat moment de enige erfgenaam was van Staes van Brakel, heer van Langerak. Maar in 1426 leefden Willem van Druten en Gudeld van Brakel nog, zodat het toch te verwachten zou zijn geweest, dat die tenminste enige aanspraak hadden doen gelden op die erfenis.

Diverse genealogen noemen dus Catharina van Polanen als de echtgenote van heer Staeske v Brakel en Langerak. Mogelijk putten die, zoals bijv. van Rhemen, uit oudere familiebronnen, die niet meer terug te vinden zijn. Eén van de oudste bronnen is dan toch de grafzerk uit 1546 van Frederick van Twickel. In hoeverre er door oudere genealogische onderzoekers 'gewoon overgeschreven is' kun je slechts dat vermoeden uitspreken. In veel geschriften is in elk geval dit huwelijk benoemd, en wordt Catharina gewoonlijk dochter genoemd van Dirk van Polanen. Dat Dirk van Polanen waarschijnlijk wel een dochter Catharina kan hebben gehad, die werd vernoemd naar zijn moeder, is best aannemelijk, maar een ondubbelzinnig stuk is niet bekend. Behalve dus de al genoemde wapens bij Frederick van Twickel en de veelvuldige literatuurvermeldingen van Catharina van Polanen is er geen concreet stuk bekend van Catharina van Polanen, dochter van Dirk van Polanen, en dat zij getrouwd was met Staeske van Brakel, heer van Langerak.

Dirk van Polanen, heer van Asperen, leefde nog in 1394 en werd in dat jaar met zijn zoons heer Otto van Asperen, Jan van Asperen (?) en Guy van Asperen, verbannen wegens medeplichtigheid aan de moord op Willem Kuser en Aleid van Poelgeest. Hij trouwde vermoedelijk rond 1360 met Elburg van Asperen, dochter van Otto van Asperen en Hagestein gehuwd met Aleid van Avennes (Avesnes). Ook zouden zij dochters drie dochters hebben gehad, van wie er eentje trouwde met Dirk van Noordeloos, de andere met Jan van Vliet, en de laatste met Staes van Brakel, heer van Langerak. In zijn boek 'Ridderschap in Holland: portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen' noemt A. Janse hen ook, met uitzondering van de zoon Jan: